Natuurpunt Natuurhistorische werkgroepen Meetjesland
|
Plantenwerkgroep Meetjesland
Inlichtingen : William White : 09/ 377.85.84
De plantenwerkgroep is een der basis groepen van de Natuurpunt Natuurhistorische werkgroepen Meetjesland. Reeds jaren worden er regelmatig uitstappen en ware zoektochten georganiseerd met het doel het opstellen van een plantenatlas voor Vlaanderen.
Excursiekalender 2008
Alle wandelingen gaan door op dinsdagavonden (verzamelen om 19 u aan de sporthal te Eeklo [Burg. L. Pussemierstraat]) of iets later nabij de eigenlijke plaats van afspraak). Verslag
van de excursies van de plantenwerkgroep in 2006
Artikel uit het Natuurhistorisch tijdschrift. Plantenwerkgroep 2006 – jaaroverzicht
18
april, hok C2.47.24 : elzenbroekbosjes
aan de achterzijde van het Leen (grondgebied Zomergem). In het kader van het inventarisatieproject die
dit jaar in Het Leen gestart is, werden enkele recent verworven stukken bos
onder de loep genomen. Bij nader toezien bleek het om zeer natte stukken bos te
gaan, die wij als elzenbroekbos kunnen catalogeren. In het oog springende
planten waren slanke sleutelbloem, knopig en geoord helmkruid, boskortsteel en
een onbekende zegge die later als zeegroene zegge (med. Andy Van Kerckvoorde)
herkend werd. De akkers en weilanden in de buurt werden ook
even verkend en leverden kleinoden als beekpunge en klein bronkruid op. Groot
was de verbazing toen op een maïsstoppel een viltkruidachtige plant werd
gevonden. De plant werd uitgegraven en in mijn tuin tot bloei gebracht. Het
bleek Duits viltkruid te zijn, een plant die in Vlaanderen extreem zeldzaam is
en maar een tweetal populaties meer telt. Toch gaat het waarschijnlijk om een
toevallig aangevoerd exemplaar. Een bezoekje aan de akker en omgeving deze
nazomer leverde niets meer op. Van de plant werden zowel zaden verzameld als
herbariummateriaal + foto’s. Met wat geluk zal de soort zich in devoegen van
mijn terras kunnen handhaven. 2
mei, hok C2.25.34 : ‘Zandhoogte’
te Maldegem. De ‘Zandhoogte’ is een natuurreservaatje net
buiten Maldegem, langs de oude spoorweg richting Brugge. Het is een waardevol
schraal heideachtig gebiedje dat enkele leuke soorten bevat die het beschermen
waard zijn, zoals tandjesgras, vroege haver, klein tasjeskruid en struikheide.
Klein tasjeskruid en vroege haver moeten het hebben van open zandige plekken en
hebben er dus belang bij dat het gebiedje niet ‘met rust’ gelaten wordt,
anders zou alles gewoon dichtgroeien met taaiere soorten. Langs de spoorweg wees
Wim ons op de aanwezigheid van Taraxacum
tortilobum, een paardebloem van schrale bodems met opvallend diep ingesneden
bladeren en de typische kenmerken van de Erythrosperma groep. Deze door ons voorheen nooit herkende soort zou
vrij courant zijn in de streek (Eeklo, ondertussen ook in Het Leen gezien). 16
mei, hok C3.52.41 : ‘Kiekenbossen’
te Evergem De ‘Kiekenbossen’ zijn helemaal geen bossen
maar een complex van natte graslanden langs de Kale. Indien ze op een deftige
wijze zouden kunnen beheerd worden – wat op termijn lijkt te zullen lukken –
zouden ze nog heel wat kunnen opleveren dan hetgeen we vonden. Ook werd slechts
een deel van het geheel onderzocht zodat het plaatje zeker niet volledig is.
Vermelden wij volgende soorten : dotterbloem, holpijp (de dominante
paardenstaart is evenwel lidrus – naar de kruising werd tevergeefs gezocht),
beekpunge,scherpe en tweerijige zegge, geknikte vossenstaart en - last but not
least - watergras. Deze laatste vondst bevestigt het vermoeden (door een vondst
het jaar voordien in de omgeving) dat de soort in Evergem een vaste stek heeft.
Door die plant alleen al moeten de Kiekenbossen in de toekomst zeker kunnen
behouden blijven. 30
mei, C3.43.13 : gehucht ‘Hultje’ te Kluizen (in
samenwerking met PWG Gent) Het Hultje is een gehucht dat dreigt te verdwijnen t.g.v. de Gentse havenuitbreiding. Tijd dus om de streek eens te verkennen. Deze bestaat vnl. uit akkers en sloten. Erg interessant waren enkele uitgegraven sleuven ten behoeve van archeologisch onderzoek. Zo konden wij de pionierflora bestuderen die verschijnt op meer dan een halve meter diep uitgegraven bodem (met nogal wat zandsteen). Veel vitale zaden zullen er overigens niet meer gezeten hebben, vooral greppelrus viel op en een enkele blaartrekkende boterbloem. Voorts kon duidelijk het verschil getoond worden tussen harde en kantige basterdwederik die floreerden op de aardhopen. Verder werden geen echte uitschieters gevonden. 13
juni, C3.42.23 : spaarbekken te Kluizen Het bezoek aan het spaarbekken van Kluizen mag
zonder meer als één van de hoogtepunten van dit jaar beschouwd worden. In het
begin van de wandeling (gemaaide stukken grasland en taluds) zag het er naar uit
dat we geen bijzondere soorten zouden aantreffen. Eenmaal bovenop de dijk vonden
we evenwel nogal wat soorten die typisch zijn voor schrale terreinen, zoals
muurpeper, hazenpootje en vooral zwenkdravik (1e vondst voor de
plantenwerkgroep !). Aan de oever van het bekken die we aandeden viel de
aanwezigheid op van akkermunt i.p.v. watermunt. Hoogtepunt (met ook een 1e
vondst) was een zeer schraal – door konijnen kaalgevreten – terreintje waar
een zeer mooie populatie kleine steentijm groeit, benevens talrijke brede
wespeorchissen. Kleine steentijm is een erg zeldzame soort in Vlaanderen, dus
zeker het opvolgen waard. In de buurt groeit ook oranje havikskruid, een plant
die blijkbaar in opmars is in Vlaanderen, want dit is zeker niet de eerste
vondst in het Meetjesland. De andere hokken die het spaarbekken bestrijken
moeten in de toekomst zeker ook eens bekeken worden. 20
juni, C2.58.43 : villawijk in omgeving van het kasteel
van Lovendegem (i.s.m. PWG Gent). In hok C2.48.11
werd in het geplagde heideterreintje tevergeefs gezocht naar moeraswolfsklauw
die er tot vorig jaar gesignaleerd werd. Waarschijnlijk is overwoekering door
struikheide en misschien ook droogte de oorzaak. Reuzenpaardenstaart, een plant
die normaal gezien voorkomt in brongebieden in de Vlaamse Ardennen, werd ons
door Filip getoond. Misschien is de soort er in het verleden via plantgoed geïntroduceerd.
Leuke vondsten waren voorts tandjesgras – nieuw voor Het Leen – , blauw
glidkruid, moerasvaren, waterpostelein, bergbasterdwederik (een algemene soort
maar in het Meetjesland ken ik die tot nog toe alleen van Het Leen) en
moerasstruisgras. In het terugkeren werden in hok C2.37.44
ook nog gevleugeld hertshooi en hazezegge gevonden. Om een min of meer volledig beeld te hebben van
de flora in Het Leen zal nog een jaar worden verder geïnventariseerd. Er is dus
nog werk aan de winkel. 27
juni, C3.11.22 : Noorddijk en omgeving te Watervliet In de buurt van het Cleylandshof bevindt zich
een kreekje dat sedert enige tijd in beheer is als natuurgebiedje. Het is altijd
meer dan de moeite waard om dergelijke gebiedjes te bezoeken daar zij als
uiterst kwetsbaar en zeldzaam (op Vlaams niveau) mogen beschouwd worden. Wat al gauw opviel was de lagere saliniteit van
het terrein (zich weerspiegelend in de plantengroei) wanneer men dit vergelijkt
met een brak grasland even verderop. Dus geen kweldergrassen, melkkruid en
schijnspurrie maar wel zompvergeet-mij-nietje, rode waterereprijs, platte en
zilte rus, gewone waterbies (helaas geen slanke) en moeraszoutgras (slechts 1
plant !) nabij de kreekoever, en kamgras op de iets drogere, grazige
stukken. Mooi en onverwacht was de vondst van een zeer jong lidstengplantje,
tenminste dat vermoeden wij toch met vrij grote zekerheid. Bart volgt dit op ! De Noorddijk zelf herbergt een prachtige
populatie aardaker en andere kalkminnende kensoorten van polderdijken zoals
wilde marjolein, gewone agrimonie en fijne ooievaarsbek. Naast hondsroos groeit
er ook een roos die niet met 100% zekerheid op naam kon gebracht worden. Ik hou
het op Rosa corymbifera (heggenroos)
met mogelijke introgressie van Rosa tomentella. 5 augustus, C3.51.34 : Lovendegem, kanaalberm en berm van N9 nabij
restaurant ‘Bierstal’ Slechts 2 deelnemers aan deze
wandeling, zodat het organiseren van een zaterdagochtend-wandeling in augustus
in vraag moet worden gesteld. De oorspronkelijk geplande wandeling ging niet
door wegens te moeilijke bereikbaarheid met de wagen. Dus bleven Germain en ik
gewoon langs het kanaal en de N9 kuieren. Veel kleinere soorten waren door de
extreme droogte nauwelijks te herkennen en ongetwijfeld zijn er een aantal over
het hoofd gezien. Op bolletjesraket (mooie populatie langs het kanaal) en
gekielde dravik (nieuw voor onze werkgroep) na, valt er overigens niet veel te
melden. Toch werden ca.130 soorten gevonden. 22 augustus, D2.17.14 : dorpskern (incl. spoorwegberm) van Hansbeke De aanleiding voor deze wandeling was eigenlijk
de muur rond de kerk waarop vorig jaar steenbreek- en tongvaren aangetroffen
werden. Helaas is iemand ons dit jaar voor geweest met de herbicidespuit zodat
er van deze eens rijke muurflora niet veel overblijft. In de buurt van een dorpskern en een drukke
spoorweg kan het haast niet anders of de neofyten en cultuurvolgers vallen op.
In ons geval waren dit hoge fijnstraal, tuinpostelein (verwilderde groente),
hondspeterselie, gehoornde klaverzuring (bruinbladige cultuurvorm), glad en
harig vingergras en straatliefdegras. Het al dan niet inheemse karakter van de
vondst van hemelsleutel onder een populierenrij zorgde voor vraagtekens. Toch
ook enkele leuke inheemse soorten zoals hoge cyperzegge in de sloot langs de
spoorweg, helaas was het dan al bijna donker. 5 september, C2.38.31 : braakliggend terrein te Eeklo Wegens het korten van de dagen gaat de
septemberwandeling gewoonlijk in de omgeving van Eeklo door. Deze keer kozen we
voor een braakliggend grasland annex fabrieksterrein tussen de Zuidmoerstraat en
de brandweerkazerne. In plaats van planten vielen ons direct de massa’s
spinnen op : kruisspin, viervlekwielwebspin en een wijfje tijgerspin.
(Thuis haalde ik nog een kruisspin uit mijn kleren !). Eerst leek het wat betreft de plantjes tegen te
zullen vallen – het grasland wordt gedomineerd door gestreepte witbol – maar
op het voormalig fabrieksterrein keerde het tij. Enkele soorten : ruwe en
zachte berk, schietwilg, katwilg, grauwe en boswilg, vlinderstruik als grotere
pionierplanten. Verder alsemambrosia (in een kippenren), wilde marjolein (echt
wild ?), tongvaren in een rioolputje, vlasbekje, peen, hazenpootje, klein
kaasjeskruid en zelfs kale gierst (een neofyt van maïsakkers), … . Een
boterbloem kon niet op naam worden gebracht ; een exemplaar –
waarschijnlijk een vorm van scherpe boterbloem met ondiep ingesneden bladeren
– werd meegenomen naar huis om verder op te kweken. Wat mij aan deze
boterbloem boeit is de vraag of dit kenmerk genetisch van aard is (in dit geval
betreft het subsp. friesii, maar een
belangrijk typisch kenmerk ontbreekt) of gewoon een aanpassing aan de droogte (fenotypische
vorm). Wat mij betreft was de mooiste vondst Senecio
´ albescens, een kruising tussen cineraria (askruid) en jacobskruiskruid,
gemakkelijk herkenbaar want intermediair, maar toch nooit ‘officieel’
geregistreerd in België. Deze kruising werd reeds eerder gevonden in Eeklo (zie
artikel vorig nummer).
|