Natuurpunt Natuurhistorische werkgroepen Meetjesland


Start Paddestoelen Planten Vlinders Zoogdieren Vogels Agenda Natuurpunt Tijdschrift Nieuwsbrief links focus@

 

 

 Plantenwerkgroep Meetjesland 

 

Inlichtingen : William White : 09/ 377.85.84 

Tekstvak:

De plantenwerkgroep is een der basis groepen van de Natuurpunt Natuurhistorische werkgroepen Meetjesland. Reeds jaren worden er regelmatig uitstappen en ware zoektochten georganiseerd met het doel het opstellen van een plantenatlas voor Vlaanderen.

 

 

 

Excursiekalender 2008

 

Datum

Kilometerhok

Gemeente

Stafkaart

Omschrijving

Plaats van afspraak

8 april

C2.38.33

Eeklo / Waar-schoot

13/7-8

Provinciaal domein Het Leen : (voorjaars)flora van de bosrand

Parking van Het Leen

22 april

D2.25.22

Poeke / Ruiselede

21/3-4

Bosjes ten NW van het bos dat deel uitmaakt van het kasteel van Poeke

Kerk van Poeke

6 mei

C2.38.42

Lembeke

13/7-8

Hoge Zandweg : bos- en weiland (omgeving Lembeekse bossen)

Sporthal van Eeklo

20 mei

C3.31.44

Sleidinge

14/5-6

Holeinde : nat populierenbos en omgeving

Vierweegse (kruispunt N448 Lembeke –Oosteeklo met N456 richting Evergem)

3 juni

C3.31.31

Lembeke

14/5-6

Lembeekse bossen : bosflora van kalkarme zandgronden

Parking van de Lembeekse bossen (Heihoek)

17 juni

D2.18.22

Vinderhoute

21/3-4

Molenmeersen : graslanden in de omgeving van de Oude Kale

Lobrug (aan het kanaal Gent – Brugge) te Lovendegem

24 juni

C2.46.32

Ursel

13/7-8

Onderdale : graslandjes e.d.m. in de buurt van het Drongengoed

Kerk van Ursel

1 juli

C2.37.42

Eeklo

13/7-8

Omgeving van het Leiken

Dullaert (aan de ingang van het College – Ten Doorn)

29 juli

C3.13.13

Assenede

14/1-2

Rode Geul : krekenlandschap (vnl. riet- en graslanden)

Kerk van Assenede

12 augustus

C2.56.32

Aalter / Bellem

13/7-8

‘Switten’ (Oostmolen-Zuid) : zuid-oever van het kanaal Gent - Brugge

Bellembrug (Bellem, richting Ursel)

26 augustus

D2.16.21   of

D2.16.24

Bellem

21/3-4

Mariahove (kasteelpark)   of

‘Spildoorn’ als alternatief

kerk van Bellem

2 september

C2.27.23

Eeklo / Sint-Laureins

13/3-4

Ziedelingen : agrarisch landschap (zogenaamd zwart gat)

Sporthal van Eeklo

 

Alle wandelingen gaan door op dinsdagavonden (verzamelen om 19 u aan de sporthal te Eeklo [Burg. L. Pussemierstraat]) of iets later nabij de eigenlijke plaats van afspraak).

 

Verslag van de excursies van de plantenwerkgroep in 2006

Artikel uit het Natuurhistorisch tijdschrift.

Plantenwerkgroep 2006 – jaaroverzicht

 

18 april, hok C2.47.24 : elzenbroekbosjes aan de achterzijde van het Leen (grondgebied Zomergem).

In het kader van het inventarisatieproject die dit jaar in Het Leen gestart is, werden enkele recent verworven stukken bos onder de loep genomen. Bij nader toezien bleek het om zeer natte stukken bos te gaan, die wij als elzenbroekbos kunnen catalogeren. In het oog springende planten waren slanke sleutelbloem, knopig en geoord helmkruid, boskortsteel en een onbekende zegge die later als zeegroene zegge (med. Andy Van Kerckvoorde) herkend werd.

De akkers en weilanden in de buurt werden ook even verkend en leverden kleinoden als beekpunge en klein bronkruid op. Groot was de verbazing toen op een maïsstoppel een viltkruidachtige plant werd gevonden. De plant werd uitgegraven en in mijn tuin tot bloei gebracht. Het bleek Duits viltkruid te zijn, een plant die in Vlaanderen extreem zeldzaam is en maar een tweetal populaties meer telt. Toch gaat het waarschijnlijk om een toevallig aangevoerd exemplaar. Een bezoekje aan de akker en omgeving deze nazomer leverde niets meer op. Van de plant werden zowel zaden verzameld als herbariummateriaal + foto’s. Met wat geluk zal de soort zich in devoegen van mijn terras kunnen handhaven.

 

2 mei, hok C2.25.34 : ‘Zandhoogte’ te Maldegem.

De ‘Zandhoogte’ is een natuurreservaatje net buiten Maldegem, langs de oude spoorweg richting Brugge. Het is een waardevol schraal heideachtig gebiedje dat enkele leuke soorten bevat die het beschermen waard zijn, zoals tandjesgras, vroege haver, klein tasjeskruid en struikheide. Klein tasjeskruid en vroege haver moeten het hebben van open zandige plekken en hebben er dus belang bij dat het gebiedje niet ‘met rust’ gelaten wordt, anders zou alles gewoon dichtgroeien met taaiere soorten. Langs de spoorweg wees Wim ons op de aanwezigheid van Taraxacum tortilobum, een paardebloem van schrale bodems met opvallend diep ingesneden bladeren en de typische kenmerken van de Erythrosperma groep. Deze door ons voorheen nooit herkende soort zou vrij courant zijn in de streek (Eeklo, ondertussen ook in Het Leen gezien).

 

16 mei, hok C3.52.41 : ‘Kiekenbossen’ te Evergem

De ‘Kiekenbossen’ zijn helemaal geen bossen maar een complex van natte graslanden langs de Kale. Indien ze op een deftige wijze zouden kunnen beheerd worden – wat op termijn lijkt te zullen lukken – zouden ze nog heel wat kunnen opleveren dan hetgeen we vonden. Ook werd slechts een deel van het geheel onderzocht zodat het plaatje zeker niet volledig is. Vermelden wij volgende soorten : dotterbloem, holpijp (de dominante paardenstaart is evenwel lidrus – naar de kruising werd tevergeefs gezocht), beekpunge,scherpe en tweerijige zegge, geknikte vossenstaart en - last but not least - watergras. Deze laatste vondst bevestigt het vermoeden (door een vondst het jaar voordien in de omgeving) dat de soort in Evergem een vaste stek heeft. Door die plant alleen al moeten de Kiekenbossen in de toekomst zeker kunnen behouden blijven.

 

30 mei, C3.43.13 : gehucht ‘Hultje’ te Kluizen (in samenwerking met PWG Gent)

Het Hultje is een gehucht dat dreigt te verdwijnen t.g.v. de Gentse havenuitbreiding. Tijd dus om de streek eens te verkennen. Deze bestaat vnl. uit akkers en sloten. Erg interessant waren enkele uitgegraven sleuven ten behoeve van archeologisch onderzoek. Zo konden wij de pionierflora bestuderen die verschijnt op meer dan een halve meter diep uitgegraven bodem (met nogal wat zandsteen). Veel vitale zaden zullen er overigens niet meer gezeten hebben, vooral greppelrus viel op en een enkele blaartrekkende boterbloem. Voorts kon duidelijk het verschil getoond worden tussen harde en kantige basterdwederik die floreerden op de aardhopen. Verder werden geen echte uitschieters gevonden.

 

13 juni, C3.42.23 : spaarbekken te Kluizen

Het bezoek aan het spaarbekken van Kluizen mag zonder meer als één van de hoogtepunten van dit jaar beschouwd worden. In het begin van de wandeling (gemaaide stukken grasland en taluds) zag het er naar uit dat we geen bijzondere soorten zouden aantreffen. Eenmaal bovenop de dijk vonden we evenwel nogal wat soorten die typisch zijn voor schrale terreinen, zoals muurpeper, hazenpootje en vooral zwenkdravik (1e vondst voor de plantenwerkgroep !). Aan de oever van het bekken die we aandeden viel de aanwezigheid op van akkermunt i.p.v. watermunt. Hoogtepunt (met ook een 1e vondst) was een zeer schraal – door konijnen kaalgevreten – terreintje waar een zeer mooie populatie kleine steentijm groeit, benevens talrijke brede wespeorchissen. Kleine steentijm is een erg zeldzame soort in Vlaanderen, dus zeker het opvolgen waard. In de buurt groeit ook oranje havikskruid, een plant die blijkbaar in opmars is in Vlaanderen, want dit is zeker niet de eerste vondst in het Meetjesland.

De andere hokken die het spaarbekken bestrijken moeten in de toekomst zeker ook eens bekeken worden.

 

20 juni, C2.58.43 : villawijk in omgeving van het kasteel van Lovendegem (i.s.m. PWG Gent).
Terwijl Chris deelnam aan deze wandeling gingen de anderen een kijkje nemen in Het Leen. Omdat we daar toch volop aan het inventariseren zijn loonde het de moeite om met meerderen eens extra uit te kijken naar enkele zeldzame soorten.

In hok C2.48.11 werd in het geplagde heideterreintje tevergeefs gezocht naar moeraswolfsklauw die er tot vorig jaar gesignaleerd werd. Waarschijnlijk is overwoekering door struikheide en misschien ook droogte de oorzaak. Reuzenpaardenstaart, een plant die normaal gezien voorkomt in brongebieden in de Vlaamse Ardennen, werd ons door Filip getoond. Misschien is de soort er in het verleden via plantgoed geïntroduceerd. Leuke vondsten waren voorts tandjesgras – nieuw voor Het Leen – , blauw glidkruid, moerasvaren, waterpostelein, bergbasterdwederik (een algemene soort maar in het Meetjesland ken ik die tot nog toe alleen van Het Leen) en moerasstruisgras.

In het terugkeren werden in hok C2.37.44 ook nog gevleugeld hertshooi en hazezegge gevonden.

Om een min of meer volledig beeld te hebben van de flora in Het Leen zal nog een jaar worden verder geïnventariseerd. Er is dus nog werk aan de winkel.

 

27 juni, C3.11.22 : Noorddijk en omgeving te Watervliet

In de buurt van het Cleylandshof bevindt zich een kreekje dat sedert enige tijd in beheer is als natuurgebiedje. Het is altijd meer dan de moeite waard om dergelijke gebiedjes te bezoeken daar zij als uiterst kwetsbaar en zeldzaam (op Vlaams niveau) mogen beschouwd worden.

Wat al gauw opviel was de lagere saliniteit van het terrein (zich weerspiegelend in de plantengroei) wanneer men dit vergelijkt met een brak grasland even verderop. Dus geen kweldergrassen, melkkruid en schijnspurrie maar wel zompvergeet-mij-nietje, rode waterereprijs, platte en zilte rus, gewone waterbies (helaas geen slanke) en moeraszoutgras (slechts 1 plant !) nabij de kreekoever, en kamgras op de iets drogere, grazige stukken. Mooi en onverwacht was de vondst van een zeer jong lidstengplantje, tenminste dat vermoeden wij toch met vrij grote zekerheid. Bart volgt dit op !

De Noorddijk zelf herbergt een prachtige populatie aardaker en andere kalkminnende kensoorten van polderdijken zoals wilde marjolein, gewone agrimonie en fijne ooievaarsbek. Naast hondsroos groeit er ook een roos die niet met 100% zekerheid op naam kon gebracht worden. Ik hou het op Rosa corymbifera (heggenroos) met mogelijke introgressie van Rosa tomentella.

 

5 augustus, C3.51.34 : Lovendegem, kanaalberm en berm van N9 nabij restaurant ‘Bierstal’

Slechts 2 deelnemers aan deze wandeling, zodat het organiseren van een zaterdagochtend-wandeling in augustus in vraag moet worden gesteld. De oorspronkelijk geplande wandeling ging niet door wegens te moeilijke bereikbaarheid met de wagen. Dus bleven Germain en ik gewoon langs het kanaal en de N9 kuieren. Veel kleinere soorten waren door de extreme droogte nauwelijks te herkennen en ongetwijfeld zijn er een aantal over het hoofd gezien. Op bolletjesraket (mooie populatie langs het kanaal) en gekielde dravik (nieuw voor onze werkgroep) na, valt er overigens niet veel te melden. Toch werden ca.130 soorten gevonden.

 

22 augustus, D2.17.14 : dorpskern (incl. spoorwegberm) van Hansbeke

De aanleiding voor deze wandeling was eigenlijk de muur rond de kerk waarop vorig jaar steenbreek- en tongvaren aangetroffen werden. Helaas is iemand ons dit jaar voor geweest met de herbicidespuit zodat er van deze eens rijke muurflora niet veel overblijft.

In de buurt van een dorpskern en een drukke spoorweg kan het haast niet anders of de neofyten en cultuurvolgers vallen op. In ons geval waren dit hoge fijnstraal, tuinpostelein (verwilderde groente), hondspeterselie, gehoornde klaverzuring (bruinbladige cultuurvorm), glad en harig vingergras en straatliefdegras. Het al dan niet inheemse karakter van de vondst van hemelsleutel onder een populierenrij zorgde voor vraagtekens. Toch ook enkele leuke inheemse soorten zoals hoge cyperzegge in de sloot langs de spoorweg, helaas was het dan al bijna donker.

 

5 september, C2.38.31 : braakliggend terrein te Eeklo

Wegens het korten van de dagen gaat de septemberwandeling gewoonlijk in de omgeving van Eeklo door. Deze keer kozen we voor een braakliggend grasland annex fabrieksterrein tussen de Zuidmoerstraat en de brandweerkazerne. In plaats van planten vielen ons direct de massa’s spinnen op : kruisspin, viervlekwielwebspin en een wijfje tijgerspin. (Thuis haalde ik nog een kruisspin uit mijn kleren !).

Eerst leek het wat betreft de plantjes tegen te zullen vallen – het grasland wordt gedomineerd door gestreepte witbol – maar op het voormalig fabrieksterrein keerde het tij. Enkele soorten : ruwe en zachte berk, schietwilg, katwilg, grauwe en boswilg, vlinderstruik als grotere pionierplanten. Verder alsemambrosia (in een kippenren), wilde marjolein (echt wild ?), tongvaren in een rioolputje, vlasbekje, peen, hazenpootje, klein kaasjeskruid en zelfs kale gierst (een neofyt van maïsakkers), … . Een boterbloem kon niet op naam worden gebracht ; een exemplaar – waarschijnlijk een vorm van scherpe boterbloem met ondiep ingesneden bladeren – werd meegenomen naar huis om verder op te kweken. Wat mij aan deze boterbloem boeit is de vraag of dit kenmerk genetisch van aard is (in dit geval betreft het subsp. friesii, maar een belangrijk typisch kenmerk ontbreekt) of gewoon een aanpassing aan de droogte (fenotypische vorm).

Wat mij betreft was de mooiste vondst Senecio ´ albescens, een kruising tussen cineraria (askruid) en jacobskruiskruid, gemakkelijk herkenbaar want intermediair, maar toch nooit ‘officieel’ geregistreerd in België. Deze kruising werd reeds eerder gevonden in Eeklo (zie artikel vorig nummer).